Daarna vertelde Enny van der Wiel, voorzitster van de initiatiefgroep Zeilcentrum Grou, de stand van zaken met betrekking tot het nieuw te realiseren Zeilcentrum. Een initiatief dat goed past bij een vereniging die 150 jaar jong is. Daarna werden in vogelvlucht de belangrijkste jubileumfestiviteiten geschetst van Frisia: minimaal 150 skipkes op het water op 19 juni, een tentoonstelling in samenwerking met het Museum De Trije Gritenijen ‘Van Pikmeer tot Olympisch water’, jeugdcombi op 3 en 4 juni, het ‘openwatertheater’ De Man fan Myra, de 150e Merkewedstrijden of hardzeildagen met eveneens minimaal 150 wedstrijdboten en de officiële viering van het jubileum op vrijdag 10 september. Voor het laatste zijn de plannen groots, deze plannen worden later bekendgemaakt.
Na het afhandelen van de gebruikelijke agendapunten, het aftreden van Sybrand Potijk (secretaris) en Durk Talsma (penningmeester) en het verwelkomen van een viertal nieuwe bestuurleden Akke Fokma (secretaris), Gerben de Jaeger (penningmeester), Gerard Gruis (commisaris jeugdzeilen) en Durk Talsma (commisaris algemeen) werd de vergadering om even voor half negen gesloten. Hierna werd het woord of eigenlijk beter gezegd het beeld gegeven aan Rein Bouma die een door middel van een aantal korte filmpjes en plaatjes een beeld schetste van 150 jaar Frisia. Waarbij er een mooie weergave werd gegeven van de vroegere beleving van het wedstrijdzeilen in Grou. Achter het vaandel van Frisia liep een grote schare mensen, welke van heinde en verre waren gekomen om te genieten van het wedstrijdzeilen op Grou.
Na de pauze werd het woord gegeven aan Eerde Beulakker die bezig is met een onderzoek naar de pleziervaart in Nederland. Hij bestudeert daarvoor de geschiedenis van de pleziervaart, die begon met de eerste jachthaven in 1622 te Amsterdam, maar ook de spectaculaire groei van de waterrecreatie na 1965. De massale trek naar het water, denk maar eens aan de grote populariteit van de motorsloep en van de relatief goedkope seriezeiljachten, zorgde ervoor dat een oude elitesport meer een volkssport werd en dit bracht onvermijdelijk, naast voordelen, ook nadelen met zich mee. Ook dit laatste is voorwerp van studie. Hij vroeg daarvoor de aanwezige watersporters mee te werken aan zijn onderzoek, door ter plekke een enquête in te vullen. De studie van de pleziervaart zal uitmonden in een proefschrift (en een boek), waarop Eerde Beulakker volgend jaar aan de universiteit van Leiden hoopt te promoveren. Als reden van zijn promotieonderzoek gaf Beulakker weer dat zijn enthousiasme voor verre tochten wat verminderde en dat hij kon kiezen om in de kroeg te gaan zitten of een serieus onderzoek te gaan doen. Dit ook omdat de meeste onderzoeken over de watersport consumentenonderzoeken zijn en er weinig ‘echt’ onderzoek gedaan is.
Na het invullen van de enquête, vertelde Beulakker iets over de historie van Frisia. Waarbij het allemaal begon op 28 september 1860 in Landswelvaren in Grou. Gestart werd met 60 leden, met onder andere 16 ‘vreemdelingen’. Mensen van buiten Grou, in die tijd nog een hele onderneming omdat het voor mensen uit bijvoorbeeld Leeuwarden een hele reis was om via de waterwegen naar Grou te komen. De prijzen voor met name beroepsskûtsjesilers waren in die tijd hoog, rond de 10% van een jaarloon. Hiermee wilde men de beste, en dat waren in die tijd de beroepsvaarders, zeilers trekken. Op bijna alle jubilea werden er prijzen door het koningshuis ter beschikking gesteld. En traditioneel vuurwerk na afloop. In 1915 werd de deelname van beurt- en vrachtschepen uitgesloten, dit vanwege het gevaar voor de overige schepen. Eveneens kwam in dit jaar de deelname van de eerste kielboten op. Het landen van een watervliegtuig in 1920 werd typerend in de boeken beschreven als ‘dat gaf reuring’. In 1929 vindt er weer een trendbreuk plaats door de deelname van een vrouw in de wedstrijden. Sinds de oprichting van Frisia was het zeilen altijd een mannen aangelegenheid geweest. Dit leidde zelfs in 1931 tot een aparte dames BM-er klasse, natuurlijk wel ’s-ochtends apart van de overige klassen. De verschillende crisis jaren hadden geen grote invloed op het wedstrijdzeilen, men wilde toch graag ontspanning. Rond 1940 ontstaan de eerste conflicten tussen water- en wegverkeer. Men vond dat ‘de bruggen de schoonheid van het landschap aantasten’. In de oorlogsjaren werd er nog wel gezeild op het Pikmeer, omdat de belangen van het water niet van grote strategische waarde waren. Het jaar 1946 betekende bijna het einde van Frisia er werd zelfs een voorstel tot opheffing gedaan op de ledenvergadering. Gelukkig kon dit worden gekeerd en ging men actief werven en filmvoorstellingen houden om de kas te spekken. Het kroontje in de vlag mocht in 1960 worden ingenaaid. Frisia kreeg in dit jaar het predicaat koninklijk uitgereikt tijdens haar 100 jarige jubileum. In 1964 was er een record aantal inschrijvingen van 225 deelnemers. In 1969 was de ommekeer naar steeds meer ‘plastic’ boten. De wedstrijdbaan liep in dit jaar voor het eerst niet meer over het PM-kanaal, maar start en finish werden gehouden op het Pikmeer. In 1970 begon het steeds drukker te worden op het water en de leden verwachten niet meer alleen zeilwedstrijden, maar ook aandacht voor tochten voor toerzeilers: de start van de nog steeds levendige activiteitencommissie van Frisia. Ook kwam in deze jaren het fenomeen plankzeilen op zetten, waar nog een aantal jaren wedstrijden voor werden georganiseerd. In de 90er jaren werd door een aantal enthousiaste leden en ouders wedstrijdtraining voor de jeugd opgezet. De start van de nog steeds succesvolle jeugdcommissie.
De beelden van Rein Bouma en het verhaal van Eerde Beulakker gaven een goed beeld weer van de 150 jaar jonge vereniging Frisia. Een vereniging die vooreerst nog 150 jaar mee kan.